Wanneer mijn vaders zondagsrust érgens grondig door verstoord kon worden, was het wel door een bijdehante dominee. Zo'n betweterige kanebraaier die in mijn vaders eigen kerk zijn preek begon met een zinnetje als:
‘Ik weet dat broeder Kijne het niet met me eens zal zijn, maar waar ik net uit de schrift las dit-en-me-dat staat in het Hebreeuws eigenlijk zus-en-me-zo.'
Om vervolgens op zijn zelfgebreide vertalinkje een betoog te bouwen waar hij zichtbaar mee in zijn nopjes was.
U merkt: ik kan me er ook nog steeds over opwinden. Want réken maar dat broeder Kijne het niet met de dominee eens was. Mijn vader was niet van het briesende type, maar als hij brieste was het bij thuiskomst na zo'n dienst.
‘Hij heeft geen idee waar hij het over heeft. We wéten helemaal niet wat daar staat in het Hebreeuws', kon mijn zachtaardige vader er bij het weghangen van zijn jas dan nog net uitpersen. En híj kon het weten, als levenslang professioneel bijbelvertaler.
Daarna stommelde hij woedend naar boven om zich op te sluiten in zijn studeerkamer. Ik stelde me dan altijd voor dat hij zichzelf de rest van de rustdag geselde met de moeilijkste passages uit de Septuagint. Als een soort reinigingsritueel. Om de slechte smaak van die beunhaas-in-toga weg te spoelen.
Maar de zondag was vergald.
Ook van moeders kant heb ik de exegese in mijn dna meegekregen. De preek waarin dominee Geelkerken op 13 april 1924 waagde te betwijfelen of we de sprekende slang uit Genesis 3 letterlijk moeten begrijpen, sloeg behalve een schisma in de Gereformeerde Kerk, ook een gat in mijn moeders jeugd.
Als jong meisje moest zij toezien hoe haar ouders, die de rebelse Geelkerken volgden toen hij uit de kerk gesmeten werd, jarenlang door hun broeders en zusters in de Heer met de nek werden aangekeken, werden uitgesloten van het avondmaal, paria's werden in hun eigen Gemeente.
Mijn moeder heeft er haar hele leven een bloedhekel aan scherpslijpers van overgehouden.
Dus u zult begrijpen dat ik even rechtop ging zitten toen Andries Knevel twee weken geleden in Dit is de Dag een gesprek aankondigde over de vraag of de beginzin van de Bijbel, waarin sprake is van het ‘scheppen' van hemel en aarde, wel goed vertaald is. Of daar niet eigenlijk, zoals de Nijmeegse hoogleraar Van Wolde ontdekt meent te hebben, ‘scheiden' moet staan.
Werd daarmee, zo opperde Knevel, het hele geloof niet onderuit gehaald? En ik meende aan zijn stem te horen dat hij het wel een beetje lekker vond, dat hij nu eindelijk eens écht advocaat van de Duivel kon spelen.
Maar die vlieger ging niet op. Rabbijn Evers namens het jodendom en adjunct-hoofdredacteur van Koert van Bekkum van het Nederlands Dagblad, tevens oud-testamenticus, lachten de Nijmeegse professor nog net niet weg maar exegeerden er zo'n tien minuten vrolijk op los op een halleluja-nix-aan-de-handa-toon. Die toon van de ware gelovige waarin de panische angst voor elk spoortje twijfel zich doorgaans verstopt.
De rabbijn wist het het best. Evers legde uit dat scheiden en scheppen in dit geval hetzelfde waren omdat God het universum immers uit zichzelf geschapen had, en dus eigenlijk van zichzelf had afgescheiden, omdat het anders zou verdwijnen wanneer het overspoeld werd door zijn goddelijke licht.
Het klonk alsof hij het allemaal zelf had uitgevonden. En eigenlijk is dat ook zo.
Van Bekkum hield zich heel gepast bij de exegese en kwam al gauw met 2 Makkabeeën 7 aanzetten, dat weliswaar apocrief is, maar waarin toch wel degelijk sprake is van ‘de Schepper der wereld, die de geboorte des mensen toebereidt, en aller geboorte uitvindt.'
Een man van de Schrift.
En een storm in een glas water, die hele Nijmeegse professor met haar zogenaamde revolutionaire ontdekking. Betweterige kanebraaier, anders niks.
Een heerlijk gesprek. Dat nooit gevoerd zou zijn wanneer we de EO niet hadden dankzij ons pluriforme omroepbestel.
Ik heb daar op deze plek wel eens wat lelijks over beweerd.
Neem ik allemaal terug.